Onze jongens in Atjeh… op het kerkhof

Bijna wekelijks keer ik in gedachten terug naar een oud kerkhof op Atjeh, Peutjoet heet het. Meer dan tweeduizend militairen liggen er, dat ze wéten, tenminste. Want met die tsunami – u weet toch nog, in 2004 – is er veel informatie verdwenen. Niet online gaan zoeken hoor, want kassian, die jongens. Zo jong gesneuveld en nu al zo lang dood. En allemaal hadden ze een mooie snor, dat maakt het erger.

Oorlog

Peutjoet is oud, heel oud. Het werd eind negentiende eeuw gesticht, kort na het begin van de Atjeh-oorlog in 1873. Veel militairen vonden het een troost, dat kerkhof. Want ze wisten: als het straks voor mij voorbij is, kom ik gewoon bij de jongens te liggen. Kameraadschap in het leger, daar zijn veel mooie liedjes over gezongen.

Militaire Willemsorde

Nou niet denken dat het zeker weer een elitehof was voor de Hollanders. Alles en iedereen ligt er, deze dood discrimineerde niet. Middenin het kerkhof staat een heuvel met bomen en men zegt, dat daar vooraanstaande mannen uit Atjeh rusten. Tegenstanders tijdens het leven en verenigd in de dood. Ach, wat zou ik er graag heen willen om daar in de tropenzon te wandelen. Maar ’t gaat niet vanwege mijn persoonlijke omstandigheden. Ik woon samen met Bert, een grote rode kater van dertien jaar en hij heeft angstklachten. Dus Poetjoet moet wachten. Ooit ga ik. En ik heb inmiddels een paar namen op mijn lijstje staan.

Darlang

Kapitein Darlang ligt er. Hij kon prachtig dansen, hij had zijn hond Corsar getraind in het opsporen van waaiers waardoor het baasje goede sier maakte bij de eigenaresses daarvan. Na zijn dood hebben ze nog geld ingezameld voor een borstbeeld op Peutjoet, hij moet bij leven nogal een legende zijn geweest. Majoor Pel heeft een prachtig wit graf met een hekje eromheen, pure kunst is het, dat je denkt: dat wil ik later óók, als ’t niet te duur is.

Maar er is ook Johan Vuyck. Vast geen familie van de schrijfster Beb Vuyck. Beb had pit. En Johan lijkt op zijn foto een broekje. Zeventien jaar was hij toen hij dienst nam, kort daarom kwam hij op eigen verzoek in Indie terecht. Middenin de oorlog, waar je zin in hebt. Veel gevechten overleefd tot die ene kogel hem vond. Hij leidde het corps marechaussee, Atjehers tegenover hem en zijn mannen. Dan: raak! Zijn linkerborst is het. Johan valt, weet op de een of andere manier zich zo te herstellen dat hij kan gaan zitten en roept dat de mannen moeten aanvallen. Maar ja, Atjehers konden goed schieten, dus met die kogel was het toch einde oefening. Na zijn dood kreeg hij nog de Militaire Willemsorde. Daar had zijn vrouw natuurlijk niks aan. Die had hem liever hem thuis gehad. Ook voor haar zou ik even naar Johans graf willen. Hij werd maar 30 jaar, en was al dood in 1898. In dat jaar kwam Wilhelmina op de troon, zo lang geleden is het.

Bloemen

Zegt u maar dat ik gek ben. Dat is misschien ook wel een beetje zo. Maar al dat herdenken ziet u, er zijn er zo véél om aan te denken, en daarom verkas ik in gedachten naar dat ene kerkhof op Atjeh. Er is een stichting die voor de graven zorgt, maar die hebben tekort aan fondsen. Ik heb ze geschreven dat ik een graf wil adopteren en of er dan ook iemand kan zijn die af en toe bloemen neerlegt. Een kleine groet van iemand een eeuw verderop. Niet vergeten, nooit vergeten.

Een deel van dit artikel verscheen eerder in Sapu Lidi

Aan de drank in Atjeh

Militaire kantine te Sigli, Pedir. Tussen 1897 en 1906. (KITLV, Media Commons)

In 1898 is het zover. Dan is Van Heutsz eindelijk waar hij al jaren wilde zijn: civiel en militair gouverneur van Atjeh. Pers en publiek in Nederland en Indië kijken gespannen toe of de man die al zo lang zo heel veel meningen had, het nu waar kan maken. Zijn lakmoesproef is de grote oorlogsexpeditie in Pedir, het gebied aan de noordkust van Atjeh.

Samenwerking

Die oorlogsexpeditie is een militair hoogstandje van voorbereiding en samenwerking tussen verschillende wapens. Van Heutsz organiseert het minutieus, tot en met de aanstelling van de geestelijke verzorging. Drie raadsmannen gaan mee: pastoor Verbraak en de dominees Thenu en Heckman. Er is iets, dat druk in de kranten besproken zal worden: Van Heutsz verbiedt de uitreiking van jenever aan de manschappen in het bivak. Daar had hij goede redenen voor. Allereerst het gezond verstand: zonder drank in de man is die man tot meer in staat. Daarbij moeten hier herinneringen uit zijn kindertijd hebben meegewogen; de vader van Van Heutsz was alcoholist wat uiteindelijk tot een breuk in het gezin leidde. Er was echter een probleem. Militairen hadden een wettelijk recht op drank. Daar moest dus een mouw aan gepast worden.

Drankmisbruik

Het Koloniaal verslag van 1898 schreef uitvoerig over het drankmisbruik in het Oost-Indische leger en de experimenten om dat tegen te gaan. Van Heutsz verbood de verstrekking van sterke drank aan “inlandsche militairen en dwangarbeiders.” En:

Verder werd sedert het laatst van Mei 1898 in genoemd gewest getracht beperking van het gebruik der van landswege te verstrekken jenever te verkrijgen door, bij wijze van proef, aan hen die zulks verlangen, in stede van het hun toekomend ration, de geldswaarde daarvan uit te betalen. Deze proefneming heeft echter bij de Europeesche militairen zoo goed als geen succes gehad.

Wel was zulks het geval ten opzichte van de inlandsche militairen en dwangarbeiders, maar, zooals reeds hiervóór is gezegd, werd reeds kort daarop aan dezen in Atjeh en onderhoorigheden de verstrekking van jenever gestaakt, althans tot zeer bijzondere gevallen beperkt.

Geld in plaats van drank sloeg niet aan bij de Europese militairen. Van Heutsz probeerde iets anders: kantines op afstand van het bivak zetten. Een alternatief voor drankgebruik bieden, in de vorm van militaire tehuizen waar gezelligheid zonder alcohol te vinden was. Het klonk allemaal actief en doelgericht, maar de wet bleef de wet.

Succes

De Pedir-expeditie werd door Van Heutsz en de zijnen als een succes beschouwd: het gebied heette nu onderworpen te zijn, en er konden wegen aangelegd worden. De belangrijkste verzetsstrijders waren gevlucht zodat de weerstand in Pedir tegen het leger minder actief was.

Van Heutsz steeg in rang naar generaal en werd onderscheiden met de Militaire Willemsorde tweede klasse. Al met al was de oorlogsexpeditie uitstekend geslaagd, was overwegend de mening. Alleen die drank, dat bleef een punt.

Reglement

Al had Van Heutsz tien keer het gelijk van de wereld met de drankbeperking, de reglementen voor het leger stonden haaks op dat gelijk. In november 1898 wees het Algemeen Handelsblad er fijntjes op dat er in Nederland per hoofd per jaar acht liter jenever werd geconsumeerd wat het gebrek aan aandacht verklaarde voor drankmisbruik in Atjeh. De wet verordonneerde dagelijkse verstrekking van jenever: “omdat het een zekere behagelijkheid. geeft en het gevoel van vermoeidheid het spoedigst verdooft.” Geheelonthouders zouden niet onder druk staan mee te drinken, meldde de krant, wat onwaarschijnlijk klinkt. De methode van verstrekking kwam wel onder druk, schreef de krant. Drinken moest vooral onder toezicht gebeuren:

Dat de troep voor die verstrekking van jenever, welke steeds onder toezicht van de officieren plaats heeft, op gezette tijden zooals in bivak of op ongezette tijden bijv. bij excursiën wordt bijeengeroepen, geschiedt met de goede bedoeling, dat daardoor het drankverbruik het beste is te controleeren en misbruiken het gemakkelijkst worden voorkomen, zijnde het zoodoende bijv. niet mogelijk dat iemand zijn ration jenever afstaat of verkoopt aan een ander.

Aantrekkelijker werd het er niet op, maar de drank was en bleef op Atjeh, daar kon zelfs de gouverneur Van Heutsz niets aan veranderen.

(Dit artikel verscheen eerder  in het blad van de Bond van Wapenbroeders)

Een der meest bekende en gewaardeerde officieren van Atjeh

officieren

Ook kapitein .B.J.A.Scheepens werd onderscheiden na de militaire expeditie van 1903; ridder 3e Klasse der Militaire Willemsorde, voor moed, beleid en trouw. Het was ook een signaal, dat Scheepens bestemd was om goed carrière te maken.

In 1913 ging er een schok door militair Indië. Scheepens, dan commandant van het 14de bataljon, was door een Atjeher aangevallen en zwaar gewond geraakt.

De Deli Courant schreef op 10 oktober:

Overste Scheepens heeft indertijd den tocht van Van Daalen meegemaakt en hij heeft zich daarbij en in andere gevallen dermate onderscheiden, dat hem achtereenvolgens de Militaire Willemsorde 4 de en 3 de klasse en de eeresabel werden verleend, eerebewijzen, die gewagen van zijn soldateske dapperheid. Maar daarnaast bezit overste Scheepens ook nog andere eigenschappen, waardoor hij reeds meermalen […] als eventueele opvolger van generaal Swart.

Met het noemen van de laatste werd diens post bekend verondersteld: gouverneur van Atjeh. Zover kon Scheepens dus klimmen. Als hij in leven bleef, tenminste. Dag na dag publiceerden de kranten updates. De Deli Courant: “Overste W. B. J. A. Scheepens toch is een der meest bekende en gewaardeerde officieren van Atjeh.”

De dag erna wist de Sumatra Post dat Scheepens “een rentjoengsteek in den buik” had gekregen. Weer een dag later gooide Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië olie op de golven met een in tropenstijl gedoopt bericht:

Wéér een sluipmoord in Atjeh.De luitenant-kolonel W. B. J. A. Scheepens, chef van den staf van het 14e bataljon infanterie (Atjeh), is in Segli door den oelé-balang van Titeuë, Tenkoe Béntara Titeuë, met een rentjong in den buik gewond. De moordenaar werd door den oppasser van den overste neergelegd. Atjeh, waar nu de guerilla is opgehouden, schijnt thans het stadium der sluipmoorden te zijn ingetreden.

Hiermee stond de kwestie opeens in een ander licht. Was deze aanval symptomatisch voor een nieuwe fase in het Atjeh-bewind? Hoe om te gaan met sluipmoordenaars? Laaide het verzet tegen het Nederlandse bewind weer op?

Scheepens was immers civiel gezaghebber en verantwoordelijk voor de rechtspraak. Een aanval op hem was ook een aanval op het Nederlandse systeem. En hoe veilig was een Nederlander in Atjeh eigenlijk, als iemand als overste Scheepens zomaar aangevallen kon worden.

De Preanger-bode meldde met grimmig oog voor detail wat er gebeurd was: “De in het kantoor aanwezige personen, die de misdaad niet hadden kunnen voorkomen, trokken na het gebeurde hun wapens en legden den Atjehnees neer. Hij werd geheel getjintjangd.” Met de kapitein ging het relatief goed: “De geneesheer heeft eenige hoop op levensbehoud.“

De aanslag op luitenant-kolonel Scheepens groeide snel uit tot een aanslag op het Nederlands gezag. Dat bracht de pennen hevig in beweging, over grote en kleine zaken. Rechtvaardigheid. De spelling van Atjesche namen. Gezag of schijngezag. Het stelsel van zelfbestuur. Over de kwaliteiten van kapitein Scheepens schreef de Preanger-bode:

Het is niet van belang ontbloot, er hier de aandacht op te vestigen dat door geheel Atjeh van genoemden hoofdofficier steeds de roep is uitgegaan van groote rechtvaardigheid ; hij strafte steeds zonder onderscheid des persoons, en liet zich door de eventueele hooge relaties van de beklaagden in het minst niet influenceeren. Dit optreden vond bij zijn chefs, naar ons ter oore kwam, niet altijd de waardeering, welke het verdiende, en leidde zelfs voor en na tot conflict. Zoo iemand, dan kent de overste Scheepens zijn afdeeling; geen hoofd, geen voorname Atjeher, of hij kent er de geschiedenis, de relaties en het zondenregister en goede zijden van; al die kennis, waarvoor niet eerst een boekje hoeft te worden nageslagen, en welke de vrucht is van een jarenlang verblijf in dezelfde streken, benutte deze civiel gezaghebber om steeds meer geregelde toestanden in het door hem bestuurde gebied te scheppen. De hoofden houdt hij binnen de perken, door den gouverneur aangewezen; de z. g. korte verklaring is volkomen duidelijk ter zake van de wederzijdsche verhoudingen.

Kenmerkend voor de activiteit van dezen militairen bestuursambtenaar, is wel dat hij iederen dag er op uit gaat, nooit thuis is; eerst ’s avonds om halfzeven houdt hij bureau, even frisch en opgewekt als had hij geen uren langen marsch achter den rug. Voor Atjeh, speciaal voor Pedië, is het te hopen dat de medische wetenschap in staat zal blijken, dit kostbare leven te behouden.

Die hoop bleek tevergeefs. Op 17 oktober 1913 publiceerde de Arnhemsche courant een droevig bericht:

Blijkens heden bij de familie te Nijmegen ingekomen bericht is de luitenant-kolonel der infanterie van het O.-I. leger, W. B. J. A. Scheepens, ridder in de militaire Willemsorde 3e klasse, op 45-jarigen leeftijd op Atjeh overleden, tengevolge van de hem Zaterdag jJ. tijdens de zitting van den landraad van Segli toegebrachte verwonding.

Kassian, voelde de pers. Dat had Scheepens niet verdiend. De lofprijzingen voor zijn karakter en optreden waren algemeen, en de expeditie van 1904 had zijn moed al laten zien.

Begrafenis

De begrafenis toonde de gehechtheid aan Scheepens, maar leek ook een demonstratie te zijn van het heersende gezag. Militairen als kistdragers, onder wie kapitein Watrin uit 1904. De gouverneur Swart van Atjeh die een grafrede hield. Ruim dertig kransen die de baar bedekten. Ook legercommandant Van Daalen liet van zich horen.

De nieuwe courant vermeldde het In Memoriam dat Van Daalen aan Scheepens had gewijd in het Indisch Weekblad en schreef: “In de laatste zinsnede van dat artikel viel één woord bijzonder op: Het leger verliest in hem een man van buitengewonen moed, van uitnemend beleid en van voorbeeldige trouw; trouw tot in den dood, viel hij door het staal van een enverzoenlijken vijand. Dat woord „onverzoenlijken” was zeer opmerkelijk. Een man als generaal Van Daalen schrijft zooiets niet klakkeloos neer! Hij heeft met dat ééne woord aangegeven, hoe hij denkt over de pacificatie van Atjeh.”

En zo werd er weer een nieuwe discussie geboren. Waren Atjehers werkelijk onverzoenlijk met het Nederlandse bewind? Die gedachte was dermate onbehaaglijk dat die niet waar kon zijn. De geschiedenis zou Van Daalen evenwel gelijk geven.

Christiaan Snouck Hurgronje: wetenschapper in de Atjehoorlog

Met links achter de tafel kolonel J.B. van Heutsz en links (in witte jas) C. Snouck Hurgronje. Bivak tijdens de Pidië-expeditie in Pidië, 1898. (KITLV, media commons)

Wat moet een wetenschapper in een oorlog? Dat ligt eraan hoe die wetenschapper de oorlog beschouwt. En wie hem betaalt voor zijn kennis. Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) vervulde een belangrijke rol in de Atjeh-oorlog. Ook en vooral dankzij het monsterverbond tussen hem en Van Heutsz.

Eind negentiende eeuw woedde de oorlog op Atjeh voort. In Den Haag keek de regering zorgelijk naar de kosten die dit meebracht: mannen sneuvelden en moesten worden vervangen, munitie was kostbaar. Het ergste was: de situatie leek weinig uitzicht te bieden op een glorieuze overwinning. Hoe dat kon, wist niemand. Tot in 1898 bleek dat de oplossing voor het vraagstuk lag in een combinatie van wetenschappelijke kennis en militaire daadkracht.

Bekering

Christiaan Snouck Hurgronje bezat een merkwaardige reputatie. Hij had in opdracht van de regering enige tijd in Mekka doorgebracht om daar een studie te maken van de pelgrims (hadji’s) uit Indië. Weinig was bekend over deze Islamitische groep, al bestond het vermoeden dat er een verband bestond tussen het verzet tegen het Nederlandse gezag en hun religieuze overtuiging. Snouck Hurgronje koos voor een dubbelleven. Hij bekeerde zich tot de Islam en ontwikkelde zich in ogen van geloofsgenoten tot een Islamgeleerde. Tegelijkertijd zond hij aan Den Haag rapporten vol informatie en aanbevelingen, die voor het koloniaal gezag uiterst bruikbaar waren. Geen wonder dat hij naar Atjeh werd gezonden, om ook daar undercover de nodige informatie te verzamelen. Ook dat deed hij, moslim onder de moslims, en koloniaal met de kolonialen.
In Indië ontmoette hij Van Heutsz.
Beide mannen moeten snel beseft hebben, hoe bruikbaar de ander kon zijn.
De wetenschapper begreep hoe de gezagsstructuur in Atjeh in elkaar stak. Hij had direct contact met het Haagse, waar over promoties werd beslist. De militair bezat daadkracht en optimisme. En hij bleek in staat een zeldzame loyaliteit op te wekken in zijn manschappen.

Successen

In 1898 werd Van Heutsz benoemd tot gouverneur van Atjeh. Snouck Hurgronje werd zijn adviseur. En de combinatie werkte, dat wil zeggen tot er successen kwamen. Met de militaire overwinningen en de uitbreiding van het Nederlandse gezag hadden de mannen elkaar minder hard nodig. Er ontstonden conflicten: de een vond de ander eigenzinnig, niet mee te werken, onhandelbaar. Het conflict zou jaren duren, decennia eigenlijk, want het werd debat wie nu wie het meest ten dienste had gestaan, werd voortgezet door nieuwe generaties militairen en wetenschappers. Maar zij hadden niet de scherpte van de mannen zelf.

Ruzies

Twee lange zinnen uit een brief van Van Heutsz geven al het inzicht van de complexe ruzies die er plaats moeten hebben gevonden. In 1903 schreef Van Heutsz aan minister Idenburg onder andere:

Het is ook begrijpelijk, dat volgens de publieke meening Dr Snouck Hurgronje daarvoor [de pacificatie van Atjeh, VL] de meest, naar velen meenen zelfs de eenig geschikte man is, maar ik, die jaren achtereen, juist te Atjeh, Dr Snouck van nabij leerde kennen, moet hem daarvoor juist door zijn karakter: zijn steeds op den voorgrond tredende zucht om ambtenaren af te breken en allerlei inlandsche kwesties te entameeren en zijn, mij bovendien bij herhaling gebleven, volslagen gebrek aan inzicht in bestuurszaken en bestuursregelingen, ten eenen male ongeschikt achtend.
Ik heb verleden jaar na het door Minister Fock in Holland genomen besluit om dr Snouck nog voor Indische aangelegenheden aan het Ministerie van Koloniën te verbinden, marginale aantekeningen gezet op den bepaald lasterlijken geheimen brief dien hij ten mijnen nadeele in ’t einde van 1903 aan den G.G, Rooseboom indiende.”

Snouk Hurgronje op zijn beurt viel het karakter van de generaal aan en trachtte hem zo onderuit te halen. Niemand won. Snouck behield zijn positie en groeide uit tot een legend of his own. Voor zijn boeken over Atjeh kreeg hij veel informatie van militairen, die dit tijdens hun expedities vergaarden. Ook Van Daalen stuurde rapporten en nota’s naar hem.

In 1904 werd Van Heutsz benoemd tot gouverneur-generaal van Indië. Onderling contact was er vooral indien het de een of de ander, bij voorkeur beiden, tot voordeel strekte. Bij de staatsbegrafenis van Van Heutsz in 1927 trad Snouk Hurgronje toe tot het ondersteunende comité, maar niet van harte. Waarom dan wel? Zijn reputatie. En nu ja, ook die van Van Heutsz.

Voor de liefhebber:
Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje 1889-1936

Wat kapitein Colijn ontdekte

Kapitein Colijn en anderen, circa 1900 (KITLV Media Library)

Dat Atjeh onder Nederlands gezag moest worden gebracht, was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Militairen werden op expeditie gezonden, ook om informatie te vergaren over dit gebied dat eigenlijk onbekend was. Kranten publiceerden verslagen zodat iedereen zich een beeld kon vormen van Atjehsche toestanden. Op 16 december 1902 publiceerde het Bataviaasch nieuwsblad het rapport van kapitein Colijn, lichtelijk bewerkt. Hieronder de tekst. Wat we er vooral merken, is de grote nieuwsgierigheid naar dit vreemde Atjeh.

De uitgestrekte tochten, gedurende maandenlang somtijds door onze energieke hedendaagsche colonne-commandanten, dwars door het tot heden ongeveer-volslagen onbekende gebied van Atjeh’s binnenlanden ondernomen, zijn niet alleen uit een krijgskundig, doch ook uit een politiek en wetenschappelijk oogpunt, voor de kennis onzer koloniën van het hoogste belang geworden, zoo schrijft P. H. H. aan de N. Rott. Ct.

Werden reeds ten vorigen jare bij den tocht van majoor van Daalen en in de eerste helft van dit jaar door den kapitein van der Maaten zeer belangrijke inlichtingen en gegevens omtrent de landen rond de Laut frawar gelegen, verzameld, thans zijn deze op den tocht van kapitein Colijn, die zich tevens in het nog nimmer betreden gebied der Gajoe-loeas waagde, met een colonne, in het geheel 72 geweren sterk, dermate uitgebreid en versterkt, dat het thans mogelijk is zich een vrij goed denkbeeld te vormen van deze streken, die tot op heden op de bestaande overzichtskaarten wel geheel figuratief waren aangegeven.

De gegevens, in dit artikel bijeengebracht en mij door den colonnecommandant welwillend ter inzage afgestaan, lijn geheel en al verzameld op den tocht door dezen van 29 Juni tot 1 September in dat gebied volbracht, zij berusten gedeeltelijk op eigen ervaring, gedeeltelijk op inlichtingen, door de hoofden verstrekt, en kunnen, zoo misschien nog niet onomstootelijk betrouwbaar, toch vermoedelijk van veel nut zijn als aanknoopingspunt bij latere excursie’n, die wel niet zullen uitblijven. Omtrent de bestuursindeeling, speciaal van de landen, welke zuiver tot het meergebied behooren, wordt door den kapitein Colijn het navolgende bericht:

Het territoriaal gezag is van zeer weinig beteekenis; het organisch gezag beheerscht den toestand, doch is, wijl ook hier de splijtzwam werkt, niet zeer krachtig.

Dit wordt in de hand gewerkt door het feit, dat het volk van één stam (blah), dikwijls is verdeeld over verschillende, onderling ver afgelegen kampongs, wat ten gevolge heeft gehad, dat de panghoeloe blah alleen werkelijk gezag uitoefende over die lieden welke in zijne onmiddellijke nabijheid wonen. Bovendien lost elke stam zich voortdurend op in jongere vertakkingen en dat dit veelvuldig voorkomt, blijkt wel uit een Gajoesch gezegde, dat ieder die ‘vrouw en kind heeft, zich “blah”-hoofd acht en zich aan het eigenlijke stamhoofd weinig of niets laat gelegen liggen.

Toch cijfert men aanhoorigheid nog niet geheel weg, blijkende b.v. uit het huwelijksverbod tusschen stammen, welke soms geheel andere namen dragen. Zoo b.v. vormden de blah van Radja Boekit en Radja Goenoeng oorpronkelijk een stam en mogen de leden daarvan nog liet onderling huwen. Afstammelingen uit beide deze blahs leven wederom onder huwelijksverbod met die van langhoeloe Soekoe, welke weder eene latere afscheiding vormt, en voor deze 3 samen geldt weer het verbod, te luwen met die van panghoeloe Sagi, panghoeloe Balohan, panghoeloe Töbö en Bobasan, welke rechtstreeks onder radja Goenoeng staan. Voortdurende splitsing, gevoegd voornamelijk bij het wonen in verschillende kampongs, is oorzaak van weinig kracht in de bestuursorganisatie.

Dat stamindeeling sterker spreekt dan territoriaal samenwonen, blijkt b.v. uit het feit, dat de colonne Colijn op haren tocht veelal werd beschoten uit kampongs, terwijl overal rondom mannen, vrouwen en kinderen zich rustig met den veldarbeid bezig hielden.

Ofschoon in het algemeen weinig verschil bestaat tusschen panghoeloe’s der verschillende blah’s, voeren in het gebied van Radja Boekit toch vier van hen den hoogeren titel van “panghoeloe tjiq”, nl. Panghoeloe Tjiq Bobosan (Radja Tjiq), P. Tjiq Saroelo, P. Tjiq Koeala groote en P. Tjiq Meuloeam. Ook in hun gebied komt splitsing voor, bewijze b.v. de kampoeng Bobosan, die 20 hoofden telt, waarvan ik al de namen maar niet zal doen volgen.

De drie voornaamste persoonlijkheden in het meergebied zijn Radja Boekit, Radja Guenoeng en (Panghoeloe) Tjiq Bobosan, waaraan ik als 4e nog zou kunnen toevoegen Radja Sia Oetama.

Omtrent de onderlinge verhouding van de drie eerstgenoemden werd het volgende vernomen, voor de absolute juistheid waarvan evenwel geen borg kan worden gestaan.

De vorige Radja Goenoeng, ongeveer acht jaren geleden overleden, had twee zoons. De oudste, Radja Moeda, bracht zijne jongelingsjaren door in het Taraiangsche, huwde daar en stond bekend als T. Nja Imeum. Wegens zijne afwezigheid, volgde de tweede zoon, Radja Kidal, den vader op. Enkele jaren geleden door lieden uit Seroelo vergiftigd, ging het gezag over op eenen neef, T. Moeda Tjiq, die evenwel niet officieel daarin werd bevestigd.

Nu keerde, eenige maanden geleden, Radja Moeda uit Taraiang terug, vestigde zich te midden der zijnen en huwde een Gajoesche vrouw uit Rawè. T. Moeda Tjiq stond hem onmiddellijk zijn gezag af, zoodat Radja Moeda de tegenwoordige Radja Goenoeng is. Hij is door zijn langdurig verblijf in Tamiang en veelvuldig in aanraking komen met Europeanen, wat bedorven. Uitdrukkingen als onze vloek G.v.d. zijn hem niet vreemd maar door zijn groote schranderheid kan hij, goed geleid, ons gouvernement vele diensten bewijzen.

Wanneer wij zijn verhouding tot Radja Boekit in één woord zouden willen uitdrukken, zouden wij hem kunnen noemen de “rijksbestierder”, want ontegenzeggelijk is Radja Boekit het hoofd, als zijnde in het bezit van de aanstelling met het negenvoudig zegel. Volgens P. Tji Bobosan zijn de de beide vorsten te vergelijken met vingers aan één hand. Radja Boekit echter de grootste, Radja Goenoeng de kleinste. In de practijk zullen wij echter meer in aanraking komen met dezen laatste. Zijn invloed is onmiskenbaar en zijn naam wordt in den volksmond tien maal gehoord tegen één maal die van Radja Boekit. Zijn werk was het ook, dat bij den tocht van kapitein Colijn de bevolking overal in haar kampongs bleef, terwijl die bij de tochten van van Daalen en van der Maaten alle waren verlaten.


Kapitein K. van der Maaten van het KNIL met hoofden van de 26 Moekims in Atjeh. (KITLV Media libray)

P. Tjiq Bobasano voert, behalve in zijn eigene kampoeng ook gezag in Tjelala, Woih Ni Doeren, Ketal en Boroeksa en heeft daar zijn badals (“vertegenwoordigers”). Hij gaf den colonne-commandant eerst den indruk van groote zelfstandigheid te bezitten, doch die indruk werd weldra gewijzigd, toen hij in tegenwoordigheid van Radja Goenoeng, den kapitein Colijn ontmoette. Het bleek toen, dat hij aan Radja Goenoeng geheel en al ondergeschikt is en in diens oogen geheel gelijk staat met de overige panghoeloe’s; de titel van “Radja”, hem in den volksmond dikwijls gegeven, werd hem door Radja Goenoeng dan ook nimmer toegekend en in een door Colijn bijgewoonde volksvergadering werd hij immer met “panglioeloe” toegesproken. Nòch toen, nòch bij eenige andere gelegenheid heeft hij zich daartegen verzet, zoodat men hem dan ook geheel en al als afhankelijk moet beschouwen.

Omtrent Radja Sia Oetama het volgende:

Inlichtingen aan de Laut en ook te Isa verkregen, wijzen er op, dat de Radja’s Sia Oetama vroeger gezag uitoefenden over de toen nog bloeiende nederzetting Samarkilang en het gebied van’ Serbodjadi. Hun residentie was Satharki&sg, dat ook nu nog onder Sia Oetama staat, terwijl zij als vertegenwoordiger te Serbodjadi erkenden zekeren panghoeloe Abo. Bij den dood van dezen laatste volgde zijn zoon Amam Oejam hem als badal van Sia Oetama op. Van de beide dochters van P. Abo huwde oudste met een Maleier van Sumatra’s Westkust, Goeroe Koetjaq geheeten, de andere met eenen vreemden Maleier, thans bekerd als Amam Safar. Deze beide vreemdelingen hebben zich meer en meer op den voorgrond weten te dringen en met terzijdestelling van Amam Oejam, noemt Goeroe Koetjaq zich thans “Keudjroeën Abo”. Zoo is het op de overzien tskaarteu aangegeven gebied van Keudjroeën Abo” ontstaan.

Nog daargelaten de vraag of de onafhankelijkheid, die hij zich toekent en die natuurlijk door Sia Oetama wordt betwist, al dan niet wettig is, schijnt het toch vast te staan, dat niet hij, doch Amam Oejam het wettige hoofd is.

Als onder het gezag van Kendjroeën noemt men nog de volgende kampongs en nederzettingen: Loekoep Sekoealon, Oedjong Karang, Toealang Roedjaq Terelis, Kala Djenng, Boegat Walon, Boeniën, Semboeang, Rampa, Selmaq Mesir, Loeboe Sigenap, Ketebong, Kemoeng Aloeë Sekèh, Bajan, Ramboeng Pajong, Aloeë Tjenang, Tandjong Lawang, Tandjong Bélanan. Omtrent den oorsprong van het gezag van Sia Oetama over Nosar, aan de zuidzijde van het meer gelegen, het volgende: De grootvader of overgrootvader van den tegenwoordigen titularis huwde met een dochter van Radja Boekit en kreeg van dezen Nosar ten geschenke.

De biahhoofden van Sia Oetaina dragen de namen Imam Balé, Radja Moeda Panghoeloe Benoe; terwijl zijn badal in Samarkilang T. Hakim heet. De biahhoofden aldaar zijn Panghoeloe Genepa en P. Kadi. Enkele bewoners in Samakilang behooren tot het gebied van Radja Linggo. Thans nog enkele woorden over het gebied van Radja Boekit.

Het omvat het eigenlijk meergebied, het stroomgebied der Peusanganrivier tot aan de grens met eigenlijk Atjeh en een deel van het stroomgebied der Djamboe Ajé. Vroeger vormde deze laatste rivier de grens tusschen de landen van Radja Boekit en Radja Linggo, doch dit heeft zich reeds lang gewijzigd. Het langst duurde het gezag van Radja Boekit over Onèng, Penaron en Seroeloe; tegenwoordig heeft hij echter alleen aanspraken op Penaron, welke rechtmatig schijnen te zijn.

Overigens rekent alleen het dal Kroèng Bidin met hare bijrivieren nog tot zijn gebied. (Vergelijk de schets). De Kroeng Bidin ontstaat uit de samenvloeiing van de Aloee Delong en de A. Tjelala, op enkele kilometers west van Kanes. De eerste ontspringt op het plateau, zuid van den Boer Telong, waar ook Trètèt ligt. In de vlakte van Trètèt liggen behalve de kampoeng van dien naam nog Tingköm en Rédélong. Trètèt wordt bewoond door volk van den stam van Radja Goenoeng, wiens badal daar Radja Angèn heet. In Tingköm wonen menschen van den stam van panghoeloe Lot Kebajakan, Redelong San P. Kétol, ook uit Kabajakan.

Na de samenvloeiing der beide bovengenoemde rivieren, (merken wij nog. op, dat er geene waterscheiding bestaat met den Woïh ni Télong, en wij dus een geval hebben van bifurcatie) verwijdt het dal der Kroëng Bidin zich o.a. bij Kanes, Kloang en Aroel poetih.

De hierdoor ontstane kleine vlakten leenen zich uitmuntend tot den sawahbouw en worden bewoond door eene vlottende bevolking uit het meergebied afkomstig, voornamelijk uit Kebajakan. Radja Boekit heeft daar badals. Het volk behoort tot vele stammen, dus strekt het gezag der badals zich niet verder uit dan tot de lieden, uit hetzelfde blok als zij zei ven. Van Aroel poetih stroomafwaarts volgt het pad niet langer de rivier, doch voert over de heuvels langs de linkeroever en splitst zich in tweeën, een weg voert naar Koelam, de hoofdweg gaat door naar Terabolan, pi. m. zoo groot als Kanos met eene vaste bevolking, evenals Roeséb, dat ongeveer de grootte heeft van Bintang. In dezelfde vallei liggen ook nog enkele kleinere kampongs. Hier is slechts één stam, n.m.l. de blok van Panghoeloe Mongkor, badal van Radja Boekit. De bevolking is sterk, met Atjehers vermengd, lieden uit de Paséstreek, vooral uit Seuleuman en Pira huizen daar en omgekeerd. Af en toe komen Atjehsche benden er hunne tenten opslaan, zoo b. v. heeft T. Tji Geudong er eene nederzetting enkele uren beneden Roesèn waar hij zich met de vischvangst bezig houdt.

Tot dusverre de gegevens, door kapitein Colijn verzameld. De bijgaande schets ter verduidelijking, geeft tevens den doorloopen weg der colonne aan.

Later hoop ik terug te kunnen komen op het gebied van Radja Linggo en de onbekende Gajoeloeaslanden.