Christiaan Snouck Hurgronje: wetenschapper in de Atjehoorlog

Met links achter de tafel kolonel J.B. van Heutsz en links (in witte jas) C. Snouck Hurgronje. Bivak tijdens de Pidië-expeditie in Pidië, 1898. (KITLV, media commons)

Wat moet een wetenschapper in een oorlog? Dat ligt eraan hoe die wetenschapper de oorlog beschouwt. En wie hem betaalt voor zijn kennis. Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) vervulde een belangrijke rol in de Atjeh-oorlog. Ook en vooral dankzij het monsterverbond tussen hem en Van Heutsz.

Eind negentiende eeuw woedde de oorlog op Atjeh voort. In Den Haag keek de regering zorgelijk naar de kosten die dit meebracht: mannen sneuvelden en moesten worden vervangen, munitie was kostbaar. Het ergste was: de situatie leek weinig uitzicht te bieden op een glorieuze overwinning. Hoe dat kon, wist niemand. Tot in 1898 bleek dat de oplossing voor het vraagstuk lag in een combinatie van wetenschappelijke kennis en militaire daadkracht.

Bekering

Christiaan Snouck Hurgronje bezat een merkwaardige reputatie. Hij had in opdracht van de regering enige tijd in Mekka doorgebracht om daar een studie te maken van de pelgrims (hadji’s) uit Indië. Weinig was bekend over deze Islamitische groep, al bestond het vermoeden dat er een verband bestond tussen het verzet tegen het Nederlandse gezag en hun religieuze overtuiging. Snouck Hurgronje koos voor een dubbelleven. Hij bekeerde zich tot de Islam en ontwikkelde zich in ogen van geloofsgenoten tot een Islamgeleerde. Tegelijkertijd zond hij aan Den Haag rapporten vol informatie en aanbevelingen, die voor het koloniaal gezag uiterst bruikbaar waren. Geen wonder dat hij naar Atjeh werd gezonden, om ook daar undercover de nodige informatie te verzamelen. Ook dat deed hij, moslim onder de moslims, en koloniaal met de kolonialen.
In Indië ontmoette hij Van Heutsz.
Beide mannen moeten snel beseft hebben, hoe bruikbaar de ander kon zijn.
De wetenschapper begreep hoe de gezagsstructuur in Atjeh in elkaar stak. Hij had direct contact met het Haagse, waar over promoties werd beslist. De militair bezat daadkracht en optimisme. En hij bleek in staat een zeldzame loyaliteit op te wekken in zijn manschappen.

Successen

In 1898 werd Van Heutsz benoemd tot gouverneur van Atjeh. Snouck Hurgronje werd zijn adviseur. En de combinatie werkte, dat wil zeggen tot er successen kwamen. Met de militaire overwinningen en de uitbreiding van het Nederlandse gezag hadden de mannen elkaar minder hard nodig. Er ontstonden conflicten: de een vond de ander eigenzinnig, niet mee te werken, onhandelbaar. Het conflict zou jaren duren, decennia eigenlijk, want het werd debat wie nu wie het meest ten dienste had gestaan, werd voortgezet door nieuwe generaties militairen en wetenschappers. Maar zij hadden niet de scherpte van de mannen zelf.

Ruzies

Twee lange zinnen uit een brief van Van Heutsz geven al het inzicht van de complexe ruzies die er plaats moeten hebben gevonden. In 1903 schreef Van Heutsz aan minister Idenburg onder andere:

Het is ook begrijpelijk, dat volgens de publieke meening Dr Snouck Hurgronje daarvoor [de pacificatie van Atjeh, VL] de meest, naar velen meenen zelfs de eenig geschikte man is, maar ik, die jaren achtereen, juist te Atjeh, Dr Snouck van nabij leerde kennen, moet hem daarvoor juist door zijn karakter: zijn steeds op den voorgrond tredende zucht om ambtenaren af te breken en allerlei inlandsche kwesties te entameeren en zijn, mij bovendien bij herhaling gebleven, volslagen gebrek aan inzicht in bestuurszaken en bestuursregelingen, ten eenen male ongeschikt achtend.
Ik heb verleden jaar na het door Minister Fock in Holland genomen besluit om dr Snouck nog voor Indische aangelegenheden aan het Ministerie van Koloniën te verbinden, marginale aantekeningen gezet op den bepaald lasterlijken geheimen brief dien hij ten mijnen nadeele in ’t einde van 1903 aan den G.G, Rooseboom indiende.”

Snouk Hurgronje op zijn beurt viel het karakter van de generaal aan en trachtte hem zo onderuit te halen. Niemand won. Snouck behield zijn positie en groeide uit tot een legend of his own. Voor zijn boeken over Atjeh kreeg hij veel informatie van militairen, die dit tijdens hun expedities vergaarden. Ook Van Daalen stuurde rapporten en nota’s naar hem.

In 1904 werd Van Heutsz benoemd tot gouverneur-generaal van Indië. Onderling contact was er vooral indien het de een of de ander, bij voorkeur beiden, tot voordeel strekte. Bij de staatsbegrafenis van Van Heutsz in 1927 trad Snouk Hurgronje toe tot het ondersteunende comité, maar niet van harte. Waarom dan wel? Zijn reputatie. En nu ja, ook die van Van Heutsz.

Voor de liefhebber:
Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje 1889-1936

Leave a Comment