Christiaan Snouck Hurgronje: wetenschapper in de Atjehoorlog

Met links achter de tafel kolonel J.B. van Heutsz en links (in witte jas) C. Snouck Hurgronje. Bivak tijdens de Pidië-expeditie in Pidië, 1898. (KITLV, media commons)

Wat moet een wetenschapper in een oorlog? Dat ligt eraan hoe die wetenschapper de oorlog beschouwt. En wie hem betaalt voor zijn kennis. Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) vervulde een belangrijke rol in de Atjeh-oorlog. Ook en vooral dankzij het monsterverbond tussen hem en Van Heutsz.

Eind negentiende eeuw woedde de oorlog op Atjeh voort. In Den Haag keek de regering zorgelijk naar de kosten die dit meebracht: mannen sneuvelden en moesten worden vervangen, munitie was kostbaar. Het ergste was: de situatie leek weinig uitzicht te bieden op een glorieuze overwinning. Hoe dat kon, wist niemand. Tot in 1898 bleek dat de oplossing voor het vraagstuk lag in een combinatie van wetenschappelijke kennis en militaire daadkracht.

Bekering

Christiaan Snouck Hurgronje bezat een merkwaardige reputatie. Hij had in opdracht van de regering enige tijd in Mekka doorgebracht om daar een studie te maken van de pelgrims (hadji’s) uit Indië. Weinig was bekend over deze Islamitische groep, al bestond het vermoeden dat er een verband bestond tussen het verzet tegen het Nederlandse gezag en hun religieuze overtuiging. Snouck Hurgronje koos voor een dubbelleven. Hij bekeerde zich tot de Islam en ontwikkelde zich in ogen van geloofsgenoten tot een Islamgeleerde. Tegelijkertijd zond hij aan Den Haag rapporten vol informatie en aanbevelingen, die voor het koloniaal gezag uiterst bruikbaar waren. Geen wonder dat hij naar Atjeh werd gezonden, om ook daar undercover de nodige informatie te verzamelen. Ook dat deed hij, moslim onder de moslims, en koloniaal met de kolonialen.
In Indië ontmoette hij Van Heutsz.
Beide mannen moeten snel beseft hebben, hoe bruikbaar de ander kon zijn.
De wetenschapper begreep hoe de gezagsstructuur in Atjeh in elkaar stak. Hij had direct contact met het Haagse, waar over promoties werd beslist. De militair bezat daadkracht en optimisme. En hij bleek in staat een zeldzame loyaliteit op te wekken in zijn manschappen.

Successen

In 1898 werd Van Heutsz benoemd tot gouverneur van Atjeh. Snouck Hurgronje werd zijn adviseur. En de combinatie werkte, dat wil zeggen tot er successen kwamen. Met de militaire overwinningen en de uitbreiding van het Nederlandse gezag hadden de mannen elkaar minder hard nodig. Er ontstonden conflicten: de een vond de ander eigenzinnig, niet mee te werken, onhandelbaar. Het conflict zou jaren duren, decennia eigenlijk, want het werd debat wie nu wie het meest ten dienste had gestaan, werd voortgezet door nieuwe generaties militairen en wetenschappers. Maar zij hadden niet de scherpte van de mannen zelf.

Ruzies

Twee lange zinnen uit een brief van Van Heutsz geven al het inzicht van de complexe ruzies die er plaats moeten hebben gevonden. In 1903 schreef Van Heutsz aan minister Idenburg onder andere:

Het is ook begrijpelijk, dat volgens de publieke meening Dr Snouck Hurgronje daarvoor [de pacificatie van Atjeh, VL] de meest, naar velen meenen zelfs de eenig geschikte man is, maar ik, die jaren achtereen, juist te Atjeh, Dr Snouck van nabij leerde kennen, moet hem daarvoor juist door zijn karakter: zijn steeds op den voorgrond tredende zucht om ambtenaren af te breken en allerlei inlandsche kwesties te entameeren en zijn, mij bovendien bij herhaling gebleven, volslagen gebrek aan inzicht in bestuurszaken en bestuursregelingen, ten eenen male ongeschikt achtend.
Ik heb verleden jaar na het door Minister Fock in Holland genomen besluit om dr Snouck nog voor Indische aangelegenheden aan het Ministerie van Koloniën te verbinden, marginale aantekeningen gezet op den bepaald lasterlijken geheimen brief dien hij ten mijnen nadeele in ’t einde van 1903 aan den G.G, Rooseboom indiende.”

Snouk Hurgronje op zijn beurt viel het karakter van de generaal aan en trachtte hem zo onderuit te halen. Niemand won. Snouck behield zijn positie en groeide uit tot een legend of his own. Voor zijn boeken over Atjeh kreeg hij veel informatie van militairen, die dit tijdens hun expedities vergaarden. Ook Van Daalen stuurde rapporten en nota’s naar hem.

In 1904 werd Van Heutsz benoemd tot gouverneur-generaal van Indië. Onderling contact was er vooral indien het de een of de ander, bij voorkeur beiden, tot voordeel strekte. Bij de staatsbegrafenis van Van Heutsz in 1927 trad Snouk Hurgronje toe tot het ondersteunende comité, maar niet van harte. Waarom dan wel? Zijn reputatie. En nu ja, ook die van Van Heutsz.

Voor de liefhebber:
Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje 1889-1936

De man zonder straat

In Den Haag zocht ik tevergeefs naar de generaal Van Daalenstraat. Iedereen uit Atjeh heeft er een straat gekregen: Van Heutsz, Loudon, Rooseboom, noem maar, noem maar, namen waarvoor eens een halve natie ontzag voelde. Atjeh, u weet wel. Die koloniale oorlog. Toen froeher. Ja, en nog steeds, min of meer, misschien, eigenlijk – deel van ons verleden, van onze geschiedenis, van wie wij nu zijn.

Overgeslagen

Generaal G.C.E. van Daalen, Frits voor intimi, is overgeslagen toen de straten in het Bezuidenhout verdeeld werden over de generaals. Het waarom-daarom ligt voor de hand: men vond hem te controversieel. Want Van Daalen was weliswaar net als de anderen goed gedecoreerd in die oorlog, hij had eigen macht en invloed en daarbij was hij commandant van het KNIL geweest, dus allemaal super, alleen was er dus die maatschappelijke rel in 1908. Over zijn militaire expedities in Atjeh. Woorden als moord en nodeloze wreedheid klonken, de pers publiceerde, de politiek debatteerde, mannen van gewicht overlegden in achterkamertjes en het eind van het verhaal was dat Van Daalen een schurk heette te zijn.

De keten

Iedereen sloeg over dat Van Daalen een schakel was in de keten van gezag en verantwoordelijkheid, een keten die eindigde met de kroon van het staatshoofd Wilhelmina. Dat idee kwam niet zo goed uit.

Barbertje moest hangen, Barbertje hing, en tot op de dag van vandaag hangt hij nog.

Nu hebben we dus een man zonder straat. Van Daalen heeft geen monument, zoals Van Heutsz er meer heeft. Een park is evenmin naar hem vernoemd. Zijn naam kom ik wel tegen in Rijswijk, maar ja, dat is weer geen Den Haag. Leuk weetje: Van Daalen woonde na zijn pensionering in de hofstad en is er zelfs in 1930 gestorven. Weer een reden om alsnog een straat naar hem te vernoemen. Misschien kan de lange Van Heutszstraat in twee worden gesplitst, en dan krijgt het deel voorbij de Rooseboomstraat een nieuw naambordje. Eerlijk is eerlijk, als je een wijk vol koloniale straatnamen hebt, dan hoort Van Daalen er ook bij.

Bang land

Ik weet dat er stemmen roepen over herbenoemen en meer van dergelijke uitspraken. Niet naar luisteren. Want die straatnaambordjes gaan niet over degenen die vernoemd zijn. Ze gaan over degenen die de vernoemingen uitkozen. De mensen die vrees voelden voor een rel over de generaal Van Daalenstraat. Zijn wij nog steeds zo’n bang land?

Grootvader Jean Majerus vocht op Atjeh

“Tot mijn 24ste jaar heb ik Majerus geheten,” mailde Wil Derijks. Hoe dat zo, vraag ik.
Hij weer: “Dat staat in het verhaal dat ik van mijn leven heb geschreven. Twee versies: een voor mijn kinderen en een voor de kleinkinderen.”
Ik: “Mag ik het lezen?”
Wil: “Nee.”
Dan stel ik me dus tevreden met wat hij van zolder haalde: de prachtige oude documenten die iets zeggen over het leven van zijn grootvader Jean Majerus. Zoiets kom je alleen tegen in mappen uit archiefdozen, en je moet dan witte handschoenen aan. Maar ik ben bij de INOG en van Wil mag ik het gewoon oppakken en publiceren. “Ik hoop dat familieleden reageren,” zegt hij. “Je weet maar nooit.”

Wat is wat? Hulp is welkom.

Acte De Naissance

Een aantekening op het document zegt: ‘acte van bekendheid’. Wie kan het lezen?

Extract

Dan is er het prachtige Extract uit het stamboek, nr. 57846.
Jean Majerus is geboren op 10 augustus 1857 en is, dan al actief militair, 1,57m lang.
Het extraxt bevat dusdanig veel opsommingen van krijgsverrichtingen dat ik meteen denk: hoe heeft hij Jean Majerus het overleefd?
Militair zijn in 1904, 1905, 1906 en 1907 in Atjeh betekende een hard leven. Dan is Van Heutsz nog even gouverneur van Atjeh, daarna gouverneur-generaal. Als gouverneur wordt hij opgevold door Van Daalen en daarna door Swart. Mannen die controle en rust wilden brengen, met voortdurende militaire inzet.
Op 12 januari 1912 zit hij in Kota-Radja. Daar zal hij ook de commandant van het leger hebben gezien, dat was toen Van Daalen.

Onderscheiding

In 1910 krijgt Jean Majerus een onderscheiding: de bronzen medaille voor trouwen dienst “van wege de koningin”, “voor de wijze waarop hij, gedurende den tijd van 12 jaren, bij het Leger heeft gediend, tot aanmoediging om het ingeslagen voetspoor te blijven volgen”.

“Ik ben trots op mijn opa,” zegt Wil. En dit document laat zien, dat vroeger koningin Wilhelmina dat ook was.

    Van Daalen senior en zijn conflict met de gouverneur-generaal

    Frits van Daalen was nog een kind, toen zijn vader noodgedwongen het leger verliet. Gotfried Coenraad Ernst van Daalen (1836-1889) had zich onderscheiden bij de gevechten tijdens de tweede Atjeh-expeditie, maar kwam in conflict met de gouverneur-generaal Loudon en moest met eervol ontslag. Het leger treurde om het heengaan van de man, die mogelijk legercommandant was geworden. De jonge Van Daalen moet hier iets geleerd hebben over loyaliteit: moet die van twee kanten komen, zit er eer in om aan het eigen gelijk vast te houden, kan een militair rekenen op een civiel gezaghebber? Het waren vragen, die hij pas later kon beantwoorden.
    Hieronder het artikel dat het Indisch Militair Tijdschrift in 1889 publiceerde, met alle pijnpunten erin. Het geeft een inkijkje in de gevoeligheden van de militaire Atjeh-wereld uit die tijd.

    Den 13en Mei van dit jaar overleed te Soerabaja de oud-kapitein van het Nederlandsch-Indische leger Gotfried Coenraad Ernst van Daalen, een man die, hoewel in subalternen rang uit het leger getreden, zich in de annalen onzer Indische krijgsgeschiedenis een
    naam verwierf, die het ons ten plicht stelt hem in zijne korte, doch schoone militaire loopbaan met eenige woorden te gedenken.

    Expedities

    Gotfried Coenraad Ernst van Daalen werd den 23en Juli 1836 te ’s Hertogenbosch geboren, trad op vijftienjarigen leeftijd in militairen dienst als cadet voor het wapen der Infanterie in Nederland, ging het volgend jaar over bij de Indische Infanterie en werd dan den 3en Juni 1856 tot tweeden luitenant bij dat wapen benoemd. In November van dat jaar vertrok hij naar Indië, waar hij na eene reis van vier maanden aankwam en geplaatst werd bij het 11e bataljon.
    Al zeer spoedig deed Van Daalen de aandacht op zich vestigen, zoodat hij, hoe jong luitenant ook, reeds in het jaar na zijne aankomst in Indie benoemd werd tot instructeur aan de destijds bestaande Normaal-schietschool te Meester Cornelis. Toen die Schietschool echter in het volgende jaar 1859 werd opgeheven, keerde hij naar zijn vorig bataljon terug, nog juist tijdig om met dat bataljon deel te nemen aan de tweede Bonische expeditie; na die expeditie werd hij, in 1860, tot 1en luitenant bevorderd.

    Charge van de Nederlands-Indische cavalerie bij Boni. (Wikimedia Commons)

    Bevorderingen

    Weldra kwam hij nu in de gelegenheid andere streken van den Indischen Archipel te bezien. In hetzelfde jaar toch werd hij benoemd tot adjudant van den militairen commandant van

    G.C.E. van Daalen sr

    Palembang, den toenmaligen luitenant-kolonel der Infanterie Kroesen, wien hij in 1861 in diezelfde betrekking volgde, toen deze benoemd werd tot militair commandant van Celebes en Onderhoorigheden. In die hoedanigheid nam Van Daalen deel aan den in April 1862 ondernomen tocht tot het herstellen der rust in Kanipi en Toeran, in November van dat jaar aan de expeditie naar Mandhar (Balangnipa) en in 1863 aan de expeditie naar de Torathea-landen.
    In Januari 1865 werd hij van zijne adjudantsbetrekking eervol ontheven, om kort daarop over te gaan als adjoint bij den Generalen staf. Bij zijne bevordering tot kapitein den 23en Juni 1866 keerde hij naar zijn wapen terug (9e Bataljon Infanterie), doch slechts voor korten tijd, daarhij reeds in ’t volgende jaar opnieuw als kapitein-adjoint bij den Generalen staf werd geplaatst.
    Bij de reorganisatie van het Departement van Oorlog in 1869, waarbij de toenmalige Generale staf werd opgeheven, ging hij bij dat departement over om in Juli van dat jaar op te treden als adjudant van den Commandant van het Leger, den luitenant-generaal Kroesen, den vroegeren militairen commandant van Celebes, die Van Daalen’s diensten, aldaar bewezen, niet vergeten was. In die betrekking had kapitein Van Daalen een groot aandeel in de voorbereiding der vele verbeteringen, die onder het bestuur van genoemden generaal in verschillende opzichten tot stand zijn gekomen. Zijne werkzaamheid werd in 1870 beloond met het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw.
    Kort nadat generaal Kroesen in 1873 het legercommando nedergelegd had, trad Van Daalen als adjudant af en werd hij geplaatst bij het “Bureau voor de krijgstoerustingen op Sumatra” onder de leiding van den generaal-majoor Verspyck.

    Had hij in die betrekking een werkzaam aandeel in de voorbereiding van de tweede Atjehsche expeditie, ook bij die expeditie zelve zoude hij eene belangrijke rol spelen als chef van den staf der 2e brigade, gecommandeerd door den kolonel Wiggers van Kerchem.
    Vooral in deze betrekking verwierf hij zich den naam, die hem bij het Indische leger steeds in eere zal doen blijven. In tal van bloedige gevechten wist hij zich door moed en beleid hoogelijk te onderscheiden. Dáár, waar de krijgsbeurtenissen van 25 en 26 December 1873, van 6, 13, 24 Januari en 15 Februari, dáár, waar de bloedige gevechten van Lemboe en Lamgoegoep, de roemvolle vermeestering van den geduchten Atjeschen missigit, de aanval des vijands op ons legerkamp de Penajoeng, de omtrekking van den Atjeschen kraton, de vermeestering der versterkte liniën bij Ketapan Doea worden vermeld, daar treedt Van Daalens naam steeds in een schitterend licht.
    Bij het gevecht van Ketapan Doea werd Van Daalen door een schampschot aan den linkervoet gewond en dientengevolge van het oorlogsterrein naar Batavia geëvacueerd. Hersteld zijnde had de betreurenswaardige gebeurtenis plaats die hem voor het leger verloren zou doen gaan.

    Loudon

    Bij gelegenheid der feestelijke ontvangst van Generaal Van Swieten en den staf van de tweede Atjehsche expeditie bij hun terugkeer op 1 Mei 1874, beging Van Daalen, in eene oogenblikkelijke opwelling, eene daad van oneerbiedigheid jegens den Vertegenwoordiger des Konings in deze gewesten, een weigeren der hem door den Landvoogd aangeboden hand, die aanleiding gaf tot het plotseling afbreken zijner reeds zoo roemvolle carrière.
    Hoewel de Raad van Onderzoek, voor welken hij ter zake van dit feit verscheen, Van Daalen vrijsprak, werd door hoogerhand anders geoordeeld.
    Op grond van artikel 1 # 2 sub f van het militair pensioenreglement werd de kapitein G.C.E. van Daalen bij besluit van 14 Juni 1874 No. 1 eervol en met behoud van recht op pensioen uit Zijner Majesteits militairen dienst ontslagen en eindigde hij daarmede eene loopbaan, die bij eene andere toedracht van zaken had kunnen leiden tot de hoogste en eervolste betrekkingen in het Leger.
    In het burgelijke leven teruggekeerd, verwierf Van Daalen zich door energie en bekwaamheid eene eervolle stelling in de maatschappij. Het Leger betreurt echter steeds den officier, wiens daden tot zoo groote, onvervulde verwachtingen aanleiding gaven.

    Generaal Van Swieten

    Generaal Van Swieten

    Wij besluiten deze korte levensbeschrijving met de vermelding van het oordeel van generaal Van Swieten over Van Daalen, waarbij deze generaal tevens verklaart om welke reden dien kapitein het ridderkruis der Militaire Willemsordem zóó wel door hem verdiend, werd onthouden.

    “Wij hebben” – zegt de generaal op blz. 208 en 209 van zijn werk ‘De waarheid over onze vestiging in Atjeh’ – “zooeven van den kapitein G.C.E. van Daalen gesproken en hem een verdienstelijke officier genoemd. Hij heeft tot den 15en Februari aan de expeditie deel genomen, toen hij in het gevecht van Ketapan Doea gekwetst werd. Zijn verwantschap met den hoofdredacteur van de ‘Java-Bode’, wiens broeder hij is, was niet geschikt hem onze sympathie te doen winnen, maar, onpartijdig voor ieder, heeft het ons niet verhinderd zijne verdiensten te erkennen. Wij hebben hem gadegeslagen, wellicht meer dan hij weet. Als wij ons in stilte op weg begaven om de waakzaamheid der wachten en posten, de werkzaamheden aan het retranchement, aan het maken van wegen in het kamp voor het bekomen van gemakkelijke circulatie, de reinheid en de hygiëne te onderzoeken, zagen wij altijd Van Daalen waar hij wezen moest.
    Wij hebben hem voorgedragen voor de 3e klasse der Militaire Willemsorde, hetgeen in ééns eene zeldzame onderscheiding is voor een subaltern officier. Het was onze overtuiging, dat hij die verdiend had, omdat hij bij de vermeestering van Lemboeg, Missigit en Ketapan Doea beduidende invloed op de goede leiding gehad heeft. Wij meenden hem het bekomen dier belooning verschuldigd te zijn.

    Later heeft zijne oneerbiedige houding ten opzichte van den Gouverneur-Generaal plaats gehad, waarvoor hij met ontslag uit ’s lands dienst gestraft is. Deze straf was verdiend, maar wij achtten het, nu hij zijne straf daarvoor ondergaan had, des te billijker hem de belooning, die hij te voren reeds verdiend had, niet te onthouden.

    Wij handhaafden dus zijn naam op onze voordracht, hetgeen ook door den Commandant van het Indische leger en Chef van het Department van Oorlog en den Gouverneur-Generaal Opperbevelhebber der land- en zeemacht, die daarover geraadpleegd waren, beaamd

    werd. Ook zij handhaafden zijn naam op de voordracht. Doch hier te lande is hij door den Minister van Koloniën geroyeerd, wij kunnen zeggen tot ons groot leedwezen en in spijt van al wat wij deden om het te verhinderen. Wij merkten op, dat dit zoude zijn tweemaal straffen voor hetzelfde feit, in strijd met het rechtsbeginsel non bis in idem. Wij zeiden ook dat, zoo de heer Van Daalen, op grond van artikel 2 van het reglement op de administratie en discipline voor de Militaire Willemsorde, zijne aanspraak op de Orde deed gelden, hem recht zoude moeten worden gedaan; dat ze hem dan in verband met art. 12 der wet van 30 April 1815 No. 5 (houdende de instelling van de Militaire Willemsorde) niet onthouden zou kunnen worden, en er dus ook geen redelijke grond bestond het bij willekeurigen administratieven maatregel te doen.
    Het mocht niet baten. De heer Van Daalen werd toch van de voordracht aan den Koning afgevoerd.

    Wat kapitein Colijn ontdekte

    Kapitein Colijn en anderen, circa 1900 (KITLV Media Library)

    Dat Atjeh onder Nederlands gezag moest worden gebracht, was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Militairen werden op expeditie gezonden, ook om informatie te vergaren over dit gebied dat eigenlijk onbekend was. Kranten publiceerden verslagen zodat iedereen zich een beeld kon vormen van Atjehsche toestanden. Op 16 december 1902 publiceerde het Bataviaasch nieuwsblad het rapport van kapitein Colijn, lichtelijk bewerkt. Hieronder de tekst. Wat we er vooral merken, is de grote nieuwsgierigheid naar dit vreemde Atjeh.

    De uitgestrekte tochten, gedurende maandenlang somtijds door onze energieke hedendaagsche colonne-commandanten, dwars door het tot heden ongeveer-volslagen onbekende gebied van Atjeh’s binnenlanden ondernomen, zijn niet alleen uit een krijgskundig, doch ook uit een politiek en wetenschappelijk oogpunt, voor de kennis onzer koloniën van het hoogste belang geworden, zoo schrijft P. H. H. aan de N. Rott. Ct.

    Werden reeds ten vorigen jare bij den tocht van majoor van Daalen en in de eerste helft van dit jaar door den kapitein van der Maaten zeer belangrijke inlichtingen en gegevens omtrent de landen rond de Laut frawar gelegen, verzameld, thans zijn deze op den tocht van kapitein Colijn, die zich tevens in het nog nimmer betreden gebied der Gajoe-loeas waagde, met een colonne, in het geheel 72 geweren sterk, dermate uitgebreid en versterkt, dat het thans mogelijk is zich een vrij goed denkbeeld te vormen van deze streken, die tot op heden op de bestaande overzichtskaarten wel geheel figuratief waren aangegeven.

    De gegevens, in dit artikel bijeengebracht en mij door den colonnecommandant welwillend ter inzage afgestaan, lijn geheel en al verzameld op den tocht door dezen van 29 Juni tot 1 September in dat gebied volbracht, zij berusten gedeeltelijk op eigen ervaring, gedeeltelijk op inlichtingen, door de hoofden verstrekt, en kunnen, zoo misschien nog niet onomstootelijk betrouwbaar, toch vermoedelijk van veel nut zijn als aanknoopingspunt bij latere excursie’n, die wel niet zullen uitblijven. Omtrent de bestuursindeeling, speciaal van de landen, welke zuiver tot het meergebied behooren, wordt door den kapitein Colijn het navolgende bericht:

    Het territoriaal gezag is van zeer weinig beteekenis; het organisch gezag beheerscht den toestand, doch is, wijl ook hier de splijtzwam werkt, niet zeer krachtig.

    Dit wordt in de hand gewerkt door het feit, dat het volk van één stam (blah), dikwijls is verdeeld over verschillende, onderling ver afgelegen kampongs, wat ten gevolge heeft gehad, dat de panghoeloe blah alleen werkelijk gezag uitoefende over die lieden welke in zijne onmiddellijke nabijheid wonen. Bovendien lost elke stam zich voortdurend op in jongere vertakkingen en dat dit veelvuldig voorkomt, blijkt wel uit een Gajoesch gezegde, dat ieder die ‘vrouw en kind heeft, zich “blah”-hoofd acht en zich aan het eigenlijke stamhoofd weinig of niets laat gelegen liggen.

    Toch cijfert men aanhoorigheid nog niet geheel weg, blijkende b.v. uit het huwelijksverbod tusschen stammen, welke soms geheel andere namen dragen. Zoo b.v. vormden de blah van Radja Boekit en Radja Goenoeng oorpronkelijk een stam en mogen de leden daarvan nog liet onderling huwen. Afstammelingen uit beide deze blahs leven wederom onder huwelijksverbod met die van langhoeloe Soekoe, welke weder eene latere afscheiding vormt, en voor deze 3 samen geldt weer het verbod, te luwen met die van panghoeloe Sagi, panghoeloe Balohan, panghoeloe Töbö en Bobasan, welke rechtstreeks onder radja Goenoeng staan. Voortdurende splitsing, gevoegd voornamelijk bij het wonen in verschillende kampongs, is oorzaak van weinig kracht in de bestuursorganisatie.

    Dat stamindeeling sterker spreekt dan territoriaal samenwonen, blijkt b.v. uit het feit, dat de colonne Colijn op haren tocht veelal werd beschoten uit kampongs, terwijl overal rondom mannen, vrouwen en kinderen zich rustig met den veldarbeid bezig hielden.

    Ofschoon in het algemeen weinig verschil bestaat tusschen panghoeloe’s der verschillende blah’s, voeren in het gebied van Radja Boekit toch vier van hen den hoogeren titel van “panghoeloe tjiq”, nl. Panghoeloe Tjiq Bobosan (Radja Tjiq), P. Tjiq Saroelo, P. Tjiq Koeala groote en P. Tjiq Meuloeam. Ook in hun gebied komt splitsing voor, bewijze b.v. de kampoeng Bobosan, die 20 hoofden telt, waarvan ik al de namen maar niet zal doen volgen.

    De drie voornaamste persoonlijkheden in het meergebied zijn Radja Boekit, Radja Guenoeng en (Panghoeloe) Tjiq Bobosan, waaraan ik als 4e nog zou kunnen toevoegen Radja Sia Oetama.

    Omtrent de onderlinge verhouding van de drie eerstgenoemden werd het volgende vernomen, voor de absolute juistheid waarvan evenwel geen borg kan worden gestaan.

    De vorige Radja Goenoeng, ongeveer acht jaren geleden overleden, had twee zoons. De oudste, Radja Moeda, bracht zijne jongelingsjaren door in het Taraiangsche, huwde daar en stond bekend als T. Nja Imeum. Wegens zijne afwezigheid, volgde de tweede zoon, Radja Kidal, den vader op. Enkele jaren geleden door lieden uit Seroelo vergiftigd, ging het gezag over op eenen neef, T. Moeda Tjiq, die evenwel niet officieel daarin werd bevestigd.

    Nu keerde, eenige maanden geleden, Radja Moeda uit Taraiang terug, vestigde zich te midden der zijnen en huwde een Gajoesche vrouw uit Rawè. T. Moeda Tjiq stond hem onmiddellijk zijn gezag af, zoodat Radja Moeda de tegenwoordige Radja Goenoeng is. Hij is door zijn langdurig verblijf in Tamiang en veelvuldig in aanraking komen met Europeanen, wat bedorven. Uitdrukkingen als onze vloek G.v.d. zijn hem niet vreemd maar door zijn groote schranderheid kan hij, goed geleid, ons gouvernement vele diensten bewijzen.

    Wanneer wij zijn verhouding tot Radja Boekit in één woord zouden willen uitdrukken, zouden wij hem kunnen noemen de “rijksbestierder”, want ontegenzeggelijk is Radja Boekit het hoofd, als zijnde in het bezit van de aanstelling met het negenvoudig zegel. Volgens P. Tji Bobosan zijn de de beide vorsten te vergelijken met vingers aan één hand. Radja Boekit echter de grootste, Radja Goenoeng de kleinste. In de practijk zullen wij echter meer in aanraking komen met dezen laatste. Zijn invloed is onmiskenbaar en zijn naam wordt in den volksmond tien maal gehoord tegen één maal die van Radja Boekit. Zijn werk was het ook, dat bij den tocht van kapitein Colijn de bevolking overal in haar kampongs bleef, terwijl die bij de tochten van van Daalen en van der Maaten alle waren verlaten.


    Kapitein K. van der Maaten van het KNIL met hoofden van de 26 Moekims in Atjeh. (KITLV Media libray)

    P. Tjiq Bobasano voert, behalve in zijn eigene kampoeng ook gezag in Tjelala, Woih Ni Doeren, Ketal en Boroeksa en heeft daar zijn badals (“vertegenwoordigers”). Hij gaf den colonne-commandant eerst den indruk van groote zelfstandigheid te bezitten, doch die indruk werd weldra gewijzigd, toen hij in tegenwoordigheid van Radja Goenoeng, den kapitein Colijn ontmoette. Het bleek toen, dat hij aan Radja Goenoeng geheel en al ondergeschikt is en in diens oogen geheel gelijk staat met de overige panghoeloe’s; de titel van “Radja”, hem in den volksmond dikwijls gegeven, werd hem door Radja Goenoeng dan ook nimmer toegekend en in een door Colijn bijgewoonde volksvergadering werd hij immer met “panglioeloe” toegesproken. Nòch toen, nòch bij eenige andere gelegenheid heeft hij zich daartegen verzet, zoodat men hem dan ook geheel en al als afhankelijk moet beschouwen.

    Omtrent Radja Sia Oetama het volgende:

    Inlichtingen aan de Laut en ook te Isa verkregen, wijzen er op, dat de Radja’s Sia Oetama vroeger gezag uitoefenden over de toen nog bloeiende nederzetting Samarkilang en het gebied van’ Serbodjadi. Hun residentie was Satharki&sg, dat ook nu nog onder Sia Oetama staat, terwijl zij als vertegenwoordiger te Serbodjadi erkenden zekeren panghoeloe Abo. Bij den dood van dezen laatste volgde zijn zoon Amam Oejam hem als badal van Sia Oetama op. Van de beide dochters van P. Abo huwde oudste met een Maleier van Sumatra’s Westkust, Goeroe Koetjaq geheeten, de andere met eenen vreemden Maleier, thans bekerd als Amam Safar. Deze beide vreemdelingen hebben zich meer en meer op den voorgrond weten te dringen en met terzijdestelling van Amam Oejam, noemt Goeroe Koetjaq zich thans “Keudjroeën Abo”. Zoo is het op de overzien tskaarteu aangegeven gebied van Keudjroeën Abo” ontstaan.

    Nog daargelaten de vraag of de onafhankelijkheid, die hij zich toekent en die natuurlijk door Sia Oetama wordt betwist, al dan niet wettig is, schijnt het toch vast te staan, dat niet hij, doch Amam Oejam het wettige hoofd is.

    Als onder het gezag van Kendjroeën noemt men nog de volgende kampongs en nederzettingen: Loekoep Sekoealon, Oedjong Karang, Toealang Roedjaq Terelis, Kala Djenng, Boegat Walon, Boeniën, Semboeang, Rampa, Selmaq Mesir, Loeboe Sigenap, Ketebong, Kemoeng Aloeë Sekèh, Bajan, Ramboeng Pajong, Aloeë Tjenang, Tandjong Lawang, Tandjong Bélanan. Omtrent den oorsprong van het gezag van Sia Oetama over Nosar, aan de zuidzijde van het meer gelegen, het volgende: De grootvader of overgrootvader van den tegenwoordigen titularis huwde met een dochter van Radja Boekit en kreeg van dezen Nosar ten geschenke.

    De biahhoofden van Sia Oetaina dragen de namen Imam Balé, Radja Moeda Panghoeloe Benoe; terwijl zijn badal in Samarkilang T. Hakim heet. De biahhoofden aldaar zijn Panghoeloe Genepa en P. Kadi. Enkele bewoners in Samakilang behooren tot het gebied van Radja Linggo. Thans nog enkele woorden over het gebied van Radja Boekit.

    Het omvat het eigenlijk meergebied, het stroomgebied der Peusanganrivier tot aan de grens met eigenlijk Atjeh en een deel van het stroomgebied der Djamboe Ajé. Vroeger vormde deze laatste rivier de grens tusschen de landen van Radja Boekit en Radja Linggo, doch dit heeft zich reeds lang gewijzigd. Het langst duurde het gezag van Radja Boekit over Onèng, Penaron en Seroeloe; tegenwoordig heeft hij echter alleen aanspraken op Penaron, welke rechtmatig schijnen te zijn.

    Overigens rekent alleen het dal Kroèng Bidin met hare bijrivieren nog tot zijn gebied. (Vergelijk de schets). De Kroeng Bidin ontstaat uit de samenvloeiing van de Aloee Delong en de A. Tjelala, op enkele kilometers west van Kanes. De eerste ontspringt op het plateau, zuid van den Boer Telong, waar ook Trètèt ligt. In de vlakte van Trètèt liggen behalve de kampoeng van dien naam nog Tingköm en Rédélong. Trètèt wordt bewoond door volk van den stam van Radja Goenoeng, wiens badal daar Radja Angèn heet. In Tingköm wonen menschen van den stam van panghoeloe Lot Kebajakan, Redelong San P. Kétol, ook uit Kabajakan.

    Na de samenvloeiing der beide bovengenoemde rivieren, (merken wij nog. op, dat er geene waterscheiding bestaat met den Woïh ni Télong, en wij dus een geval hebben van bifurcatie) verwijdt het dal der Kroëng Bidin zich o.a. bij Kanes, Kloang en Aroel poetih.

    De hierdoor ontstane kleine vlakten leenen zich uitmuntend tot den sawahbouw en worden bewoond door eene vlottende bevolking uit het meergebied afkomstig, voornamelijk uit Kebajakan. Radja Boekit heeft daar badals. Het volk behoort tot vele stammen, dus strekt het gezag der badals zich niet verder uit dan tot de lieden, uit hetzelfde blok als zij zei ven. Van Aroel poetih stroomafwaarts volgt het pad niet langer de rivier, doch voert over de heuvels langs de linkeroever en splitst zich in tweeën, een weg voert naar Koelam, de hoofdweg gaat door naar Terabolan, pi. m. zoo groot als Kanos met eene vaste bevolking, evenals Roeséb, dat ongeveer de grootte heeft van Bintang. In dezelfde vallei liggen ook nog enkele kleinere kampongs. Hier is slechts één stam, n.m.l. de blok van Panghoeloe Mongkor, badal van Radja Boekit. De bevolking is sterk, met Atjehers vermengd, lieden uit de Paséstreek, vooral uit Seuleuman en Pira huizen daar en omgekeerd. Af en toe komen Atjehsche benden er hunne tenten opslaan, zoo b. v. heeft T. Tji Geudong er eene nederzetting enkele uren beneden Roesèn waar hij zich met de vischvangst bezig houdt.

    Tot dusverre de gegevens, door kapitein Colijn verzameld. De bijgaande schets ter verduidelijking, geeft tevens den doorloopen weg der colonne aan.

    Later hoop ik terug te kunnen komen op het gebied van Radja Linggo en de onbekende Gajoeloeaslanden.