Wat kapitein Colijn ontdekte

Kapitein Colijn en anderen, circa 1900 (KITLV Media Library)

Dat Atjeh onder Nederlands gezag moest worden gebracht, was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Militairen werden op expeditie gezonden, ook om informatie te vergaren over dit gebied dat eigenlijk onbekend was. Kranten publiceerden verslagen zodat iedereen zich een beeld kon vormen van Atjehsche toestanden. Op 16 december 1902 publiceerde het Bataviaasch nieuwsblad het rapport van kapitein Colijn, lichtelijk bewerkt. Hieronder de tekst. Wat we er vooral merken, is de grote nieuwsgierigheid naar dit vreemde Atjeh.

De uitgestrekte tochten, gedurende maandenlang somtijds door onze energieke hedendaagsche colonne-commandanten, dwars door het tot heden ongeveer-volslagen onbekende gebied van Atjeh’s binnenlanden ondernomen, zijn niet alleen uit een krijgskundig, doch ook uit een politiek en wetenschappelijk oogpunt, voor de kennis onzer koloniën van het hoogste belang geworden, zoo schrijft P. H. H. aan de N. Rott. Ct.

Werden reeds ten vorigen jare bij den tocht van majoor van Daalen en in de eerste helft van dit jaar door den kapitein van der Maaten zeer belangrijke inlichtingen en gegevens omtrent de landen rond de Laut frawar gelegen, verzameld, thans zijn deze op den tocht van kapitein Colijn, die zich tevens in het nog nimmer betreden gebied der Gajoe-loeas waagde, met een colonne, in het geheel 72 geweren sterk, dermate uitgebreid en versterkt, dat het thans mogelijk is zich een vrij goed denkbeeld te vormen van deze streken, die tot op heden op de bestaande overzichtskaarten wel geheel figuratief waren aangegeven.

De gegevens, in dit artikel bijeengebracht en mij door den colonnecommandant welwillend ter inzage afgestaan, lijn geheel en al verzameld op den tocht door dezen van 29 Juni tot 1 September in dat gebied volbracht, zij berusten gedeeltelijk op eigen ervaring, gedeeltelijk op inlichtingen, door de hoofden verstrekt, en kunnen, zoo misschien nog niet onomstootelijk betrouwbaar, toch vermoedelijk van veel nut zijn als aanknoopingspunt bij latere excursie’n, die wel niet zullen uitblijven. Omtrent de bestuursindeeling, speciaal van de landen, welke zuiver tot het meergebied behooren, wordt door den kapitein Colijn het navolgende bericht:

Het territoriaal gezag is van zeer weinig beteekenis; het organisch gezag beheerscht den toestand, doch is, wijl ook hier de splijtzwam werkt, niet zeer krachtig.

Dit wordt in de hand gewerkt door het feit, dat het volk van één stam (blah), dikwijls is verdeeld over verschillende, onderling ver afgelegen kampongs, wat ten gevolge heeft gehad, dat de panghoeloe blah alleen werkelijk gezag uitoefende over die lieden welke in zijne onmiddellijke nabijheid wonen. Bovendien lost elke stam zich voortdurend op in jongere vertakkingen en dat dit veelvuldig voorkomt, blijkt wel uit een Gajoesch gezegde, dat ieder die ‘vrouw en kind heeft, zich “blah”-hoofd acht en zich aan het eigenlijke stamhoofd weinig of niets laat gelegen liggen.

Toch cijfert men aanhoorigheid nog niet geheel weg, blijkende b.v. uit het huwelijksverbod tusschen stammen, welke soms geheel andere namen dragen. Zoo b.v. vormden de blah van Radja Boekit en Radja Goenoeng oorpronkelijk een stam en mogen de leden daarvan nog liet onderling huwen. Afstammelingen uit beide deze blahs leven wederom onder huwelijksverbod met die van langhoeloe Soekoe, welke weder eene latere afscheiding vormt, en voor deze 3 samen geldt weer het verbod, te luwen met die van panghoeloe Sagi, panghoeloe Balohan, panghoeloe Töbö en Bobasan, welke rechtstreeks onder radja Goenoeng staan. Voortdurende splitsing, gevoegd voornamelijk bij het wonen in verschillende kampongs, is oorzaak van weinig kracht in de bestuursorganisatie.

Dat stamindeeling sterker spreekt dan territoriaal samenwonen, blijkt b.v. uit het feit, dat de colonne Colijn op haren tocht veelal werd beschoten uit kampongs, terwijl overal rondom mannen, vrouwen en kinderen zich rustig met den veldarbeid bezig hielden.

Ofschoon in het algemeen weinig verschil bestaat tusschen panghoeloe’s der verschillende blah’s, voeren in het gebied van Radja Boekit toch vier van hen den hoogeren titel van “panghoeloe tjiq”, nl. Panghoeloe Tjiq Bobosan (Radja Tjiq), P. Tjiq Saroelo, P. Tjiq Koeala groote en P. Tjiq Meuloeam. Ook in hun gebied komt splitsing voor, bewijze b.v. de kampoeng Bobosan, die 20 hoofden telt, waarvan ik al de namen maar niet zal doen volgen.

De drie voornaamste persoonlijkheden in het meergebied zijn Radja Boekit, Radja Guenoeng en (Panghoeloe) Tjiq Bobosan, waaraan ik als 4e nog zou kunnen toevoegen Radja Sia Oetama.

Omtrent de onderlinge verhouding van de drie eerstgenoemden werd het volgende vernomen, voor de absolute juistheid waarvan evenwel geen borg kan worden gestaan.

De vorige Radja Goenoeng, ongeveer acht jaren geleden overleden, had twee zoons. De oudste, Radja Moeda, bracht zijne jongelingsjaren door in het Taraiangsche, huwde daar en stond bekend als T. Nja Imeum. Wegens zijne afwezigheid, volgde de tweede zoon, Radja Kidal, den vader op. Enkele jaren geleden door lieden uit Seroelo vergiftigd, ging het gezag over op eenen neef, T. Moeda Tjiq, die evenwel niet officieel daarin werd bevestigd.

Nu keerde, eenige maanden geleden, Radja Moeda uit Taraiang terug, vestigde zich te midden der zijnen en huwde een Gajoesche vrouw uit Rawè. T. Moeda Tjiq stond hem onmiddellijk zijn gezag af, zoodat Radja Moeda de tegenwoordige Radja Goenoeng is. Hij is door zijn langdurig verblijf in Tamiang en veelvuldig in aanraking komen met Europeanen, wat bedorven. Uitdrukkingen als onze vloek G.v.d. zijn hem niet vreemd maar door zijn groote schranderheid kan hij, goed geleid, ons gouvernement vele diensten bewijzen.

Wanneer wij zijn verhouding tot Radja Boekit in één woord zouden willen uitdrukken, zouden wij hem kunnen noemen de “rijksbestierder”, want ontegenzeggelijk is Radja Boekit het hoofd, als zijnde in het bezit van de aanstelling met het negenvoudig zegel. Volgens P. Tji Bobosan zijn de de beide vorsten te vergelijken met vingers aan één hand. Radja Boekit echter de grootste, Radja Goenoeng de kleinste. In de practijk zullen wij echter meer in aanraking komen met dezen laatste. Zijn invloed is onmiskenbaar en zijn naam wordt in den volksmond tien maal gehoord tegen één maal die van Radja Boekit. Zijn werk was het ook, dat bij den tocht van kapitein Colijn de bevolking overal in haar kampongs bleef, terwijl die bij de tochten van van Daalen en van der Maaten alle waren verlaten.


Kapitein K. van der Maaten van het KNIL met hoofden van de 26 Moekims in Atjeh. (KITLV Media libray)

P. Tjiq Bobasano voert, behalve in zijn eigene kampoeng ook gezag in Tjelala, Woih Ni Doeren, Ketal en Boroeksa en heeft daar zijn badals (“vertegenwoordigers”). Hij gaf den colonne-commandant eerst den indruk van groote zelfstandigheid te bezitten, doch die indruk werd weldra gewijzigd, toen hij in tegenwoordigheid van Radja Goenoeng, den kapitein Colijn ontmoette. Het bleek toen, dat hij aan Radja Goenoeng geheel en al ondergeschikt is en in diens oogen geheel gelijk staat met de overige panghoeloe’s; de titel van “Radja”, hem in den volksmond dikwijls gegeven, werd hem door Radja Goenoeng dan ook nimmer toegekend en in een door Colijn bijgewoonde volksvergadering werd hij immer met “panglioeloe” toegesproken. Nòch toen, nòch bij eenige andere gelegenheid heeft hij zich daartegen verzet, zoodat men hem dan ook geheel en al als afhankelijk moet beschouwen.

Omtrent Radja Sia Oetama het volgende:

Inlichtingen aan de Laut en ook te Isa verkregen, wijzen er op, dat de Radja’s Sia Oetama vroeger gezag uitoefenden over de toen nog bloeiende nederzetting Samarkilang en het gebied van’ Serbodjadi. Hun residentie was Satharki&sg, dat ook nu nog onder Sia Oetama staat, terwijl zij als vertegenwoordiger te Serbodjadi erkenden zekeren panghoeloe Abo. Bij den dood van dezen laatste volgde zijn zoon Amam Oejam hem als badal van Sia Oetama op. Van de beide dochters van P. Abo huwde oudste met een Maleier van Sumatra’s Westkust, Goeroe Koetjaq geheeten, de andere met eenen vreemden Maleier, thans bekerd als Amam Safar. Deze beide vreemdelingen hebben zich meer en meer op den voorgrond weten te dringen en met terzijdestelling van Amam Oejam, noemt Goeroe Koetjaq zich thans “Keudjroeën Abo”. Zoo is het op de overzien tskaarteu aangegeven gebied van Keudjroeën Abo” ontstaan.

Nog daargelaten de vraag of de onafhankelijkheid, die hij zich toekent en die natuurlijk door Sia Oetama wordt betwist, al dan niet wettig is, schijnt het toch vast te staan, dat niet hij, doch Amam Oejam het wettige hoofd is.

Als onder het gezag van Kendjroeën noemt men nog de volgende kampongs en nederzettingen: Loekoep Sekoealon, Oedjong Karang, Toealang Roedjaq Terelis, Kala Djenng, Boegat Walon, Boeniën, Semboeang, Rampa, Selmaq Mesir, Loeboe Sigenap, Ketebong, Kemoeng Aloeë Sekèh, Bajan, Ramboeng Pajong, Aloeë Tjenang, Tandjong Lawang, Tandjong Bélanan. Omtrent den oorsprong van het gezag van Sia Oetama over Nosar, aan de zuidzijde van het meer gelegen, het volgende: De grootvader of overgrootvader van den tegenwoordigen titularis huwde met een dochter van Radja Boekit en kreeg van dezen Nosar ten geschenke.

De biahhoofden van Sia Oetaina dragen de namen Imam Balé, Radja Moeda Panghoeloe Benoe; terwijl zijn badal in Samarkilang T. Hakim heet. De biahhoofden aldaar zijn Panghoeloe Genepa en P. Kadi. Enkele bewoners in Samakilang behooren tot het gebied van Radja Linggo. Thans nog enkele woorden over het gebied van Radja Boekit.

Het omvat het eigenlijk meergebied, het stroomgebied der Peusanganrivier tot aan de grens met eigenlijk Atjeh en een deel van het stroomgebied der Djamboe Ajé. Vroeger vormde deze laatste rivier de grens tusschen de landen van Radja Boekit en Radja Linggo, doch dit heeft zich reeds lang gewijzigd. Het langst duurde het gezag van Radja Boekit over Onèng, Penaron en Seroeloe; tegenwoordig heeft hij echter alleen aanspraken op Penaron, welke rechtmatig schijnen te zijn.

Overigens rekent alleen het dal Kroèng Bidin met hare bijrivieren nog tot zijn gebied. (Vergelijk de schets). De Kroeng Bidin ontstaat uit de samenvloeiing van de Aloee Delong en de A. Tjelala, op enkele kilometers west van Kanes. De eerste ontspringt op het plateau, zuid van den Boer Telong, waar ook Trètèt ligt. In de vlakte van Trètèt liggen behalve de kampoeng van dien naam nog Tingköm en Rédélong. Trètèt wordt bewoond door volk van den stam van Radja Goenoeng, wiens badal daar Radja Angèn heet. In Tingköm wonen menschen van den stam van panghoeloe Lot Kebajakan, Redelong San P. Kétol, ook uit Kabajakan.

Na de samenvloeiing der beide bovengenoemde rivieren, (merken wij nog. op, dat er geene waterscheiding bestaat met den Woïh ni Télong, en wij dus een geval hebben van bifurcatie) verwijdt het dal der Kroëng Bidin zich o.a. bij Kanes, Kloang en Aroel poetih.

De hierdoor ontstane kleine vlakten leenen zich uitmuntend tot den sawahbouw en worden bewoond door eene vlottende bevolking uit het meergebied afkomstig, voornamelijk uit Kebajakan. Radja Boekit heeft daar badals. Het volk behoort tot vele stammen, dus strekt het gezag der badals zich niet verder uit dan tot de lieden, uit hetzelfde blok als zij zei ven. Van Aroel poetih stroomafwaarts volgt het pad niet langer de rivier, doch voert over de heuvels langs de linkeroever en splitst zich in tweeën, een weg voert naar Koelam, de hoofdweg gaat door naar Terabolan, pi. m. zoo groot als Kanos met eene vaste bevolking, evenals Roeséb, dat ongeveer de grootte heeft van Bintang. In dezelfde vallei liggen ook nog enkele kleinere kampongs. Hier is slechts één stam, n.m.l. de blok van Panghoeloe Mongkor, badal van Radja Boekit. De bevolking is sterk, met Atjehers vermengd, lieden uit de Paséstreek, vooral uit Seuleuman en Pira huizen daar en omgekeerd. Af en toe komen Atjehsche benden er hunne tenten opslaan, zoo b. v. heeft T. Tji Geudong er eene nederzetting enkele uren beneden Roesèn waar hij zich met de vischvangst bezig houdt.

Tot dusverre de gegevens, door kapitein Colijn verzameld. De bijgaande schets ter verduidelijking, geeft tevens den doorloopen weg der colonne aan.

Later hoop ik terug te kunnen komen op het gebied van Radja Linggo en de onbekende Gajoeloeaslanden.